quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432451
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Meer dan ooit...

...het venster op de concertzaal

Quad ESL 988 en 989

 

© 2002 Armand van Ommeren

 

In 1976 schreef ik mijn eerste artikel voor Luister en dat ging over de B&O M70 luidspreker, waar ik nog altijd goede herinneringen aan heb. Mijn belangrijkste argument om positief over die luidspreker te zijn was dat deze een uiterst aansprekend totaalbeeld leverde. Geen uitgesproken positieve of negatieve punten, maar een evenwichtig en muzikaal beeld. Ik heb daar later met Subir Pramanik – deze man uit India is voor mij nog altijd ‘Mr. B&O’ – een diepgaande discussie over gehad.


In feite zijn mijn ideeën over wat een goede luidspreker aan eigenschappen zou moeten hebben in de loop der jaren niet veranderd: wat heb ik aan prachtig genuanceerd en gedefinieerd hoog wanneer het laag door de kamer floddert? Meer regel dan uitzondering tegenwoordig, zelfs in de duurste prijsklasse. Wat heb ik aan een prachtig doortekend fundament wanneer het middengebied agressief is? En ook staat me nog altijd goed voor ogen/oren wat er in de toekomst verder verbeterd zou moeten worden, iets wat helaas minder vanzelfsprekend is dan het lijkt. Teveel vakgenoten vinden vrijwel alles wat nieuw is geweldig en hebben geen visie op wat er eigenlijk nog beter zou moeten. Een totaal gebrek aan visie, wat zich voorspelbaar vertaalt in kritiekloos volgen van wat fabrikanten verzinnen.



Mijn eerste serieuze luidspreker was de KEF Cresta, eind jaren zestig. Een wonderbaarlijk speakertje – ik heb ze nog, van mijn vader geërfd – en nog steeds valt op dat het hoog – de T27 tweeter – van uitstekende kwaliteit is. Ze staan op mijn werkkamer, en ik luister er dagelijks naar.

De Cresta’s zijn aangesloten op een door Ruud Janssen gereviseerde Quad 33/303 combinatie (aangevuld met FM3 en AM3 tuners). Verder een F100 CD-speler en MD-recorder van Denon, een Beogram 4000 platenspeler van B&O (de eerste tangentiale van dit merk en nog altijd de mooiste), Braun TG 1000 en Sony TC 377 recorders en een Nakamichi TT 700 cassettedeck. In een hoekje staat een oude (goed werkende!) Telefunken M24 recorder waar ik geen afscheid van kan nemen; die recorder wekte destijds mijn belangstelling voor opnametechniek. In datzelfde hoekje staat ook de meetapparatuur, voornamelijk van Bang & Olufsen, NordMende en SoundTechnology.

Opmerkelijk is het gave hoog van de Cresta waar heel wat moderne luidsprekers nog een voorbeeld aan kunnen nemen. En dat is wel een punt: waar in het verleden de Cresta een fel speakertje werd genoemd, is daar met de moderne bronnen zoals DAT en CD niets meer van terug te vinden. Het lijkt er overduidelijk op dat de aftastvervorming van veel plaat/element combinaties voor dat soms wat scherpe hoog verantwoordelijk was. Het laag is uiteraard beperkt gezien de afmetingen ter grootte van een schoenendoos, wat er uit komt is echter puntgaaf, doordat de ontwerper – Raymond Cooke – zo verstandig was geen frequenties te forceren die het ding niet aankon. Jan Kool was destijds één van de eersten die direct de kwaliteiten van deze kabouter herkende en de B110 woofer als middentoner in zijn eigen kolossale bakstenen driewegsysteem opnam. Enige tijd later kreeg de Cresta een grotere broer, de Chorale, identiek van opzet, maar wat groter en voorzien van een grotere woofer, de B200. Uiteraard was het laag van de Chorale prominenter aanwezig, maar de kwaliteit viel me tegen. Ik heb ze daardoor niet zo lang gehad en ze vervangen door één Quad ESL 55. Dit onder het motto ‘liever één ESL in mono dan iets anders in stereo’. Wat niet wegneemt dat die ene al snel vergezeld werd door een tweede exemplaar. Zo gaat dat..

In die tijd – medio jaren zeventig – werd mede door mijn werk bij de Wereldomroep duidelijk dat het beoordelen van luidsprekers in mono en met één exemplaar dient te gebeuren. Ik weet dat niemand dat nog doet en dat is heel erg jammer en absoluut misleidend. De kwaliteiten van een luidspreker komen met één exemplaar veel sneller en vooral veel duidelijker aan het licht. Het stereo effect – laat staan surround – leidt af van de klank en vertekent vooral in laag en laag/midden de definitie en de tekening van de luidspreker. Wat in surround indrukwekkend en in stereo nog aardig lijkt, valt in mono op één speaker direct door de mand. Het loont daarom beslist een MD’tje of CD’tje te maken met mono opnamen speciaal voor het doel luidsprekers te beoordelen op hun kwaliteiten. Gewapend daarmee hoort u in de winkel ook veel meer. Bedenk daarbij dan ook dat het niet alleen om de allerbeste opnamen gaat: het gemiddelde waar je als muziekliefhebber naar luistert zijn niet de beste opnamen, maar veel eerder de matige opnamen. Dáár moet u mee leren leven en daar zal de luidspreker ook mee uit de voeten moeten kunnen. Spectaculaire opnamen zijn al helemaal ongeschikt om luidsprekers op te beoordelen. Nog afgezien van het feit dat een opname die op de ene installatie heel spectaculair klinkt, dat op een andere vaak niet doet: we zijn dan veel te makkelijk geneigd te denken dat de installatie waarop het spectaculair klonk gelijk heeft: dat is maar helemaal de vraag. Te vaak behandelen we relatieve constateringen alsof ze absoluut zijn: zelfs voor de beroerdste opname is wel een installatie te vinden waarop ze goed klinkt! Wanneer één opname op twee installaties wordt vergeleken, zegt dat alleen iets over die ene opname in die twee situaties. De uitkomst is niet overdraagbaar naar andere situaties en andere systemen. We doen alsof de luidspreker die we testen – of een ander testobject – de enige onbekende factor in het geheel is en dat is onjuist. We hebben te maken met een keten van bijna uitsluitend onzekere factoren, te beginnen bij de opname zelf. Niemand weet wat er werkelijk op de cd of lp staat. Sterker nog, we beoordelen de werkelijkheidswaarde van bijvoorbeeld een luidspreker aan de hand van opnamen waarvan we die werkelijkheid niet kennen! Maar ook de verwerking van de opname in de nabewerking, de montage, de persing en de afwerking spelen een rol. En dan tenslotte de weergaveruimte, de akoestiek ervan, het niveau waarop wordt afgespeeld en de gebruikte apparatuur. Veelal geeft een hele goede hoofdtelefoon eigenlijk meer houvast, zoals de al vaak genoemde MRD-CD3000 van Sony. Is die in een winkel aanwezig, doe er dan uw voordeel mee!

Beoordelen in mono wil natuurlijk niet zeggen dat mono wordt geprefereerd boven stereo, hoewel ik eerlijk gezegd vind dat het merendeel van de stereo-opnamen die naam niet verdient, zoals u waarschijnlijk weet; de meerderheid van de opnamen zijn tweekanaals mono, of een verzameling van vele tientallen monosignalen die in akoestische zin geen natuurlijke relatie hebben. Beoordelen in mono is zeer belangrijk omdat elke meerkanaals opname – elke opname met meer dan één kanaal – het klankbeeld ingrijpend vertekent. Dat komt door de extreme gevoeligheid van ons gehoor voor faseverschillen, deel van ons waarschuwingssysteem tegen gevaar. Realiseer u dat we dat zelfs van één luidsprekersysteem al waarnemen – denk maar aan de fasegecorrigeerde opbouw van veel luidsprekers – en u begrijpt dat het over twee of meer luidsprekers eveneens een grote rol speelt. De gedachte dat in een meerkanaals systeem de rol van de huiskamer teruggedrongen zou worden is daarom ook een misvatting, omdat voor elk van de gebruikte luidsprekers de kamerakoestiek wordt opgeteld bij de weergegeven karakteristiek en op die manier de ellende dus niet kleiner maar groter wordt. Wil je een luidspreker zo puur mogelijk beoordelen, dan moet je zo veel mogelijk variabelen uitschakelen: je beluistert ze dus zowel in mono als in stereo.

Deze testmethode dringt des te meer omdat vrijwel alle opnamen van tegenwoordig – stereo èn meerkanaals – grotendeels samengesteld zijn uit monosignalen. Het duidelijkst is dat bij solisten waar één microfoon bij staat – kijk maar naar opnamefoto’s – net als alle andere steunmicrofoons bij instrumenten, die leveren allemaal monosignalen. Waar en hoe je ze ook in het stereobeeld verplaatst met de ‘panoramaregelaar’, het blijven monosignalen. En al deze monosignalen vertroebelen het stereobeeld en leiden bij het beoordelen van luidsprekers de aandacht af van de werkelijke kwaliteiten van de luidspreker. Probeer maar eens in mono een paar luidsprekers te vergelijken; de kans bestaat dat u met andere ogen naar uw eigen luidsprekers gaat kijken/luisteren!

Tip: Voor het beluisteren en beoordelen van luidsprekers is een cdr of md met daarop mono muziekfragmenten bijzonder handig. Zet liefst elk fragment tweemaal achter elkaar, beurtelings alleen op rechts en alleen op links. Door dan twee verschillende luidsprekers op de stereoversterker aan te sluiten wordt elk fragment automatisch eerst op links en dan op rechts afgespeeld. U hoeft dan niets te doen om alles achter elkaar te horen te krijgen. Met de balansregelaar kan het niveau van beide luidsprekers aan elkaar gelijk gemaakt worden. Doe dat met een mono FM-zender of gewoon FM-ruis. Met FM-ruis zal overigens al direct opvallen hoe enorm verschillend luidsprekers die ruis weergeven! Gebruik zoveel mogelijk ‘gewone’ muziek; spectaculaire muziek zoals slagwerk en dergelijke, zegt totaal niets. Stemmen, strijkers en piano zeggen veel meer; kies vooral opnamen met subtiele klanken en evenwichtige opnamen. Ook gesproken woord van de radio – het nieuws – is doorgaans van uitstekende kwaliteit en goed bruikbaar om de natuurlijkheid van een luidspreker te beoordelen. Juist dit kan heel goed in mono en op één luidspreker worden gedaan. Vaak is het verstandig de proef te herhalen nadat de luidsprekers van plaats zijn verwisseld vanwege de akoestische invloed van de kamer. Zet de luidsprekers nooit dicht bij elkaar, minimaal 2 meter uit elkaar, want ze beïnvloeden elkaar ook!

Intermodulatievervorming
De eisen die aan een luidspreker in het hoorbare gebied worden gesteld, zijn zo tegenstrijdig dat één enkele luidsprekereenheid dat hele gebied op zijn eentje niet goed aan kan. Vooral de lage frequenties verstoren de rust op hogere frequenties zodanig dat dit tot grote problemen leidt. Intermodulatievervorming – daar hebben we het over – ontstaat doordat midden en hoog worden vervormd door de lage frequenties, waar ook de grootste amplitude – conusuitslag – optreedt. Ergo, de midden en hoge tonen worden verminkt door de bassen. Het andere uiterste – onderverdeling in pakweg 10 of meer deelgebieden – levert weer andere problemen op. In elk overgangsgebied zijn namelijk twee luidsprekers actief met verschillende afstraaleigenschappen, richtingskarakteristieken, vervorming, amplitudeverloop, enzovoort. Kortom, in het overgangsgebied is een luidspreker altijd onrustig. Plus het feit dat de verschillende frequenties niet langer vanuit één plaats komen. Het streven is naar een puntbron waarbij alle frequenties uit één punt komen, iets wat bijvoorbeeld Kef doet met haar Uni-Q en vele jaren geleden al Tannoy met haar Dual-Concentric.

Een andere mogelijkheid is de elektrostaat, die principieel even goed geschikt is voor hoge als voor lage tonen, alleen door de constructie een geringe membraanuitslag kent en daardoor een groot oppervlak nodig heeft voor lage frequenties. We zagen al dat de amplitude – conusuitslag – op lage frequenties het grootst is en daar heeft de ESL een probleem wanneer we de afmetingen een beetje redelijk willen houden. Dankzij de vrijwel verwaarloosbare massa van de bewegende delen van een ESL en de aandrijving over het gehele oppervlak en in beide richtingen, speelt intermodulatievervorming hier echter geen rol. De verhouding aandrijfkracht versus in beweging te brengen massa is zodanig gunstig dat eerder genoemde verschijnselen geen kans krijgen. Het membraan volgt het signaal onvertraagd en zulke bijeffecten treden niet op. De massa van een conus + spreekspoel van een conusluidspreker ligt vele honderden malen hoger en daardoor treden bijverschijnselen op: te traag reageren enerzijds (de massa moet in beweging worden gebracht), doorschieten (de massa kan niet tijdig tot stilstand worden gebracht), natrillen (van zowel de conus als de lucht in de kast), drempelsignaal (door de dempende werking van de lucht in de kast wordt de beweging niet alleen gedempt, maar ook gehinderd). Anders gezegd: hoe minder massa of moleculen je in beweging hoeft te brengen, hoe minder je er ook onder controle hoeft te houden. En dan zijn er nog deeltrillingen: de conus wordt op één punt – de spreekspoel – aangedreven en het kost veel moeite deze als één geheel te laten bewegen. Bovendien verloopt het magnetisme in de luchtspleet waarin de spreekspoel zich beweegt zich ook niet geheel lineair, zeker niet aan de grenzen. Daar loopt het effect van het magnetisme aanzienlijk terug, wat wel een zelfdempende werking geeft, maar ook afvlakking van het signaal veroorzaakt, wat niet de bedoeling is. Daarbovenop komen dan nog de eigenschappen van het wisselfilter en die van de kast, waarmee een ‘gewone’ luidspreker ogenschijnlijk simpel, maar in feite toch wel een gecompliceerd stuk techniek genoemd mag worden. Bedenk ook dat een spreekspoel warm wordt en die warmte ontstaat door signaalverlies: al die warmte is muziek die verloren is gegaan!

Gezien al die zaken zal het niemand verbazen dat bij conusluidsprekers de beste exemplaren heel vaak tweewegsystemen zijn doordat hier maar één overgangsgebied nodig is en de problemen daarmee op dat ene punt geconcentreerd zijn. In feite kun je zeggen ‘hoe eenvoudiger de opzet, hoe beter het resultaat’. De vergelijking met een hoofdtelefoon dringt zich op: bijna altijd een breedbandsysteem zonder overgangsgebieden, vrijwel zonder kast en bijbehorende demping, geringe conusuitslag waardoor de vervorming laag blijft en vanwege de zeer geringe bewegende massa krijgt ook intermodulatievervorming weinig of geen kans. Luister bijvoorbeeld naar de al genoemde Sony (adviesprijs € 715,--) en u weet wat ik bedoel. Extra pluspunt is nog dat de ontwerper van een hoofdtelefoon nauwkeurig weet in welke akoestische omgeving het ding zijn werk moet gaan doen: hoe verschillend onze oren fysiek ook mogen zijn, die verschillen spelen geen rol in de klank, terwijl de huiskamer waar luidsprekers hun werk moeten doen daar een hoofdrol in speelt.

Een simpel tweewegsysteem kan dus heel hoog scoren dankzij de eenvoud van de constructie. En het is niet toevallig dat het juist de kleinere zijn die tot de top behoren. Ik heb er weer één in huis – Dynaudio – die een verschrikkelijk goed indruk heeft afgegeven, dankzij de eerder genoemde punten. Al vaak constateerde ik dat de luidsprekers tegenwoordig wel slechter lijken te zijn naarmate ze groter worden: zelden hoor je een grote luidspreker met dezelfde rust en gelijkmatigheid van een kleintje. Ook op de show in Veldhoven najaar 2002 viel dat weer op – enkele uitzondering daargelaten: heel veel betrekkelijk kleine en verrassend goed klinkende luidsprekers.

Elektrostaat
De grootste van beide hier te bespreken ESL’s is in wezen ook een tweewegsysteem, zij het een heel bijzonder. Het laag beneden zo’n 150 Hz wordt naar twee extra laageenheden gevoerd. Als gezegd, de membraanuitslag van een elektrostaat is per definitie zeer gering en daardoor kan de gewenste geluidsdruk in een ruimte op erg lage frequenties niet altijd bereikt worden. Het is dan ook niet zozeer een beperking in frequentiebereik, maar in amplitude, dus luidheid. Maak je ze maar groot genoeg, dan is het laagste laag geen probleem. Bij kleine luidsprekers lag dat juist andersom: de woofer van de in het begin genoemde Cresta heeft een enorm grote conusuitslag, zeker voor die tijd, en daarmee kon dat kleintje goedmaken wat het aan oppervlak tekort kwam. Het is gewoon een kwestie van het verplaatsen van lucht: een groot oppervlak kan met een kleine uitslag evenveel lucht verplaatsen als een klein oppervlak met een naar rato grotere uitslag. Voor de overgang van het onderste deel van het midden naar het laag wordt gebruik gemaakt van een uiterst simpel wisselfilter, dat eenvoudig kan zijn doordat de constructie van beide delen identiek is, het afstraalgedrag is gelijk, de akoestische eigenschappen zijn gelijk en een kast is er niet, dus problemen met demping en andere bijverschijnselen schitteren door afwezigheid. Het voordeel van de aandrijving over het gehele oppervlak blijft natuurlijk onverkort geldig: geen deelresonanties en een grote aandrijf- èn remkracht, gepaard aan een superlicht membraan; technisch gezien ideale uitgangspunten. Voor het midden en hoog wordt uiteraard eveneens een elektrostaat van identieke constructie gebruik. Maar met deze is wel iets bijzonders aan de hand. Laten we daarom eerst eens naar de werking van een elektrostaat gaan kijken.

Condensator
Een ‘gewone’ luidspreker werkt met een spoel en een magneet: het is in feite een elektromotor met dit verschil dat de rotor niet draait maar een zuigerbeweging maakt. Als kind gebruikte ik het elektromotortje van mijn Meccanodoos, aangesloten op de draadomroep van mijn ouders als luidsprekertje; daarmee lag ik ’s avonds in bed onder de dekens naar hoorspellen te luisteren!

Een elektrostatische luidspreker is het equivalent van een condensatormicrofoon, het type microfoon dat door alle opnametechnici over de hele wereld wordt geprefereerd. Een condensator is een elektrisch onderdeel waarbij twee geleiders van elkaar zijn gescheiden door een isolerende stof, zoals polyester, mica, keramiek of simpelweg lucht. In de elektronica wordt een condensator onder meer gebruikt om wissel- en gelijkstroom van elkaar te scheiden. Ook een condensatormicrofoon bestaat uit twee geleiders met een isolator ertussen, maar hier is één van de beide geleiders vast opgesteld; de ander is het membraan, waartussen zich lucht als isolator bevindt. De afstand tussen beide geleiders is zo klein mogelijk, wat verklaart waarom een condensatormicrofoon niet zo geschikt is als handmicrofoon: je blaast het membraan al snel tegen de vaste plaat aan. De trillingen van de muziek brengen het membraan in beweging en de capaciteit – de waarde – van de condensator varieert daardoor. Via een elektronische schakeling worden deze capaciteitsvariaties omgezet in een wisselende elektrische spanning. Voordeel van dit type microfoon is de ongelofelijk geringe massa van het bewegende membraan, waardoor de reacties snel en correct zijn. Een dynamische microfoon – vergelijkbaar met een conusluidspreker in het klein of een hoofdtelefoon – heeft als aandrijvend element een spoeltje aan het membraan, waarmee de massa vele tientallen malen vergroot wordt.

Een elektrostatische luidspreker is in feite het omgekeerde: tussen twee geperforeerde en geleidende vaste platen is een uiterst licht, kunststoffen membraan opgesteld. Dit membraan is voorzien van een microscopisch dun laagje geleidend materiaal. Tussen de beide vaste platen bestaat een groot spanningsverschil van ergens rond de 5000 volt (bij de ESL-63 is dat 7000 volt). Door via een trafo of elektronische schakeling het signaal toe te voeren aan de hoogspanning en de bewegende ‘plaat’ zal de laatste in beweging komen. Deze plaat wordt over het gehele oppervlak aangedreven, want het potentiaalverschil is overal hetzelfde, zodat het membraan als één geheel zal bewegen. En in tegenstelling tot een normale luidspreker, gaat het hier om een ‘push-pull’ systeem, d.w.z. dat het membraan in beide richtingen wordt aangedreven, van twee kanten. Het membraan wordt naar voren bewogen door het potentiaalverschil en tevens door een veranderd potentiaalverschil weer terug bewogen. Anders gezegd, demping is overbodig omdat het membraan geen enkele beweging kan maken die niet door het signaal wordt opgelegd. Daarmee kan de kast vervallen en zijn we van een ingewikkelde constructie verlost. Bovendien is het membraan uiterst licht, vergelijkbaar met het cellofaan dat om een pakje sigaretten zit en deelresonanties zijn vanwege de aandrijving aan beide zijden over het gehele oppervlak, uitgesloten. Al deze factoren bij elkaar zorgen ervoor dat het membraan exact doet wat door de spanning van de versterker wordt opgedragen. Eigenlijk krijg je bij het overdenken van dit principe het gevoel dat het het enige systeem is dat laat horen wat nu werkelijk op de CD staat.

Ringen
Peter Walker – oprichter van Quad en ontwerper van de ESL 55 en de ESL 63 – had nog een ander geniaal idee. Een minpunt van de oude ESL 55 was de sterk gerichte afstraling. Iedereen die de oude ESL kent, weet dat vooral het hoog zeer sterk gebundeld is. En daar kun je niet zoveel aan doen, gezien de vorm en de volkomen vlakke constructie van het membraan; het ontwikkelen van een bolle elektrostaat is een vrijwel onmogelijke en zeker onbetaalbare opgave. Niet dat de huidige vorm trouwens zo goedkoop is...

Bij de presentatie van de ESL 63 eind jaren zeventig in Californië (de getallen 55 en 63 staan voor het jaar waarin de luidspreker werd ontwikkeld) sprak Peter Walker voor een groot aantal toehoorders dezelfde woorden die Edison destijds gebruikte ‘Mary had a little lamb’ om die vervolgens te herhalen van achter een raamwerkje waarop een membraan van superdunne kunststof was gespannen, hetzelfde materiaal waarvan het membraan van de Quad ESL is gemaakt. Niemand hoorde verschil tussen de woorden mèt of zònder dat membraan. Daarmee gaf hij een sublieme demonstratie van de essentie van de nieuwe ESL: de werking van de concentrische ringen èn het ontbreken van een eigen bijdrage, een eigen klank, van het membraan.

Vertragingen
Al sprekend verspreidt het geluid van de stem zich vanuit één punt in de ruimte (de mond) als de ringen over het oppervlak van een rimpelloze vijver. Deze situatie wordt niet anders wanneer dat superlichte membraan ertussen wordt geplaatst. Het membraan beweegt in het midden het eerst en net als bij de rimpelloze vijver verplaatst het geluid zich in ringen naar buiten. Peter Walker had daarvoor in het laboratorium een membraan gemaakt met een enorm aantal ringen, die via elektronische vertragingen vanuit het midden en dan stap voor stap verder naar buiten steeds later werden aangestuurd om de situatie van iemand die achter het membraan staat te praten na te bootsen. Ik meen dat hij met meer dan honderd is begonnen; veel experimenten toonden aan dat met zes ringen volstaan kon worden.

Het bouwen van die zes ringen is bij een elektrostaat eenvoudiger dan men zou denken: Het zijn niet zes verschillende membranen en even zo vele stellen vaste platen, maar de geleidende laag op de statoren – vaste platen – is opgedampt en daardoor is het niet zo moeilijk dat opdampen zo te doen dat er een aantal geleidende ringen ontstaan, die door niet geleidende strookjes van elkaar gescheiden zijn. De elektronica zorgt er vervolgens voor dat de afzonderlijke ringen de spanningen steeds iets later en met iets minder hoog krijgen. De tijdverschillen zijn vooraf zorgvuldig bepaald. Aldus wordt een situatie geschapen waardoor het lijkt alsof de bron zich 30 cm achter het membraan bevindt en bovendien wordt de sterke gerichtheid van vooral het hoog vermeden.

20 jaar later
Zo stonden de zaken bij de introductie van de ESL 63. Nu ruim 20 jaar later is de situatie feitelijk niet zoveel veranderd. De basisconstructie van de ‘kleine’ 988 is niet wezenlijk anders als die van voorganger 63. Wel is meer dan duidelijk dat de mechanische constructie aanzienlijk is verfijnd en ook de elektronica is kennelijk verbeterd. De structuur is aanzienlijk solider en rammeltjes en dergelijke zijn nu geheel afwezig. Ook het doek is in de loop der jaren veel dunner geworden – het oorspronkelijke van de 63 leek wel tapijt! – en de aansluitingen zijn meer van deze tijd. Maar ook de elektronica is blijkbaar onder handen genomen, wat zich direct uit in een aanzienlijk betere definitie in het hoog en een beter doorlopend laag èn hoog. Eerlijk gezegd had ik niet verwacht dat de ESL 988 een zoveel beter klankbeeld zou oproepen dan de al ruim 20 jaar door mij gebruikte ESL 63. Beter in de zin van groter scheidend vermogen, helderder en beter getekend hoog, verder doorlopend in het laag en een andere totaalindruk. De akoestiek is beter hoorbaar en eigenlijk bestaat over het geheel het gevoel dat je meer hoort. Verschillen tussen opnamen zijn groter geworden, veel groter. Ook heb ik het gevoel dat de achterzijde van de luidspreker toch licht gedempt is om de afstraling aan de achterzijde een beetje te temperen en daarmee het effect van de achterliggende wand, wat een bijdrage aan de betere definitie zou kunnen hebben. De fabrikant laat echter weten dat de demping aan de achterzijde identiek is aan die van de 63. Vooral het midden en laag wordt aan de achterzijde tegen de wand weerkaatst en slaat dan op het extreem lichte membraan terug, wat de weergave van elke ESL aanzienlijk kan bederven. Overigens, ook bij elke conusluidspreker hoor je door de conus heen wat er in de kast gebeurt, wat een beetje hetzelfde effect heeft.

De afmetingen van de ESL 63 zijn vrijwel identiek aan de ESL 988, maar daar houdt de overeenkomst ook wel op. Ik vraag me af of de verbetering te danken is aan een betere audiotransformator of aan een beter Mylar membraan – of aan beide – want het verschil is erg groot. Groot in zijn subtiliteit, maar subtiel kan erg essentieel zijn. De tekening van de 988 is enorm en de details in een opname, vooral in de klank, zijn verrassend. Veel opnamen die je erg goed dacht te kennen, laten toch weer veel meer horen met als gevolg een gewijzigd oordeel: soms beter, soms minder. Over het gehele hoorbare spectrum is de definitie aanzienlijk vooruit gegaan en de luidspreker kan zware modulaties beter aan. Voor het eerst heb ik het gevoel de zaal in te kijken, een associatie die ik tot op heden bij geen enkele luidspreker heb gehad. Gelukkig is het scheidend vermogen in laag/midden niet minder geworden, eerder nog wat beter.

Dat ‘in de zaal kijken’ was een adembenemende ervaring: vooral op de bekende opname uit ’81 van de Goldberg met Glenn Gould (SMK 52619) een gewone CD dus, geen SACD. Van alle opnamen van Gould zijn inmiddels zoveel versies dat je er langzamerhand een net als bij wijn een jaartal bij moet gaan zetten…. Bij die opname waren wij hier thuis compleet verbijsterd over de impact die allerlei bijgeluidjes en het mee neuriën van Glenn Gould hadden…. Nog nooit zo gehoord; inderdaad, alsof je in de deuropening van de studio staat mee te luisteren. Bijna even indrukwekkend vind ik de Schubert opname met Uchida (Philips 470 164) die ik als gewone cd kocht, maar die nu ook als sacd in de winkel ligt; voel me wel een beetje bekocht!

Luisterend naar beide nieuw ESLlen trad dit effect op en eigenlijk heb ik het gevoel dat de werking van de concentrische ringen voor het eerst echt goed werkt. Iedereen die hier op bezoek was maakte een opmerking over het genoemde ‘toneel effect’, dat gevoel de zaal in te kijken, waarbij overduidelijk de opnamen gemaakt met eenvoudige middelen het natuurlijkste klonken. Bij piano-opnamen viel op dat de lage snaren bij forse aanslagen aanzienlijk indrukwekkender klonken dan op de ESL 63. Gebleven is gelukkig het luchtige en ijle karakter van de strijkers en de natuurlijkheid van stemmen.

De Bachconcerten met Trevor Pinnock op Archiv behoren tot de opnamen waarover ik het voorheen met mezelf niet altijd eens was. Bij de ene hoor ik wat ik op de opnamefoto zie (elk instrument zijn eigen microfoon), andere klinken ineens prachtig doorzichtig. De concerten (Archiv 413 634) horen tot de betere opnamen, de orkestwerken (Archiv 413 629) zijn zo plat als een dubbeltje en zelfs soms irritant. Deze indruk is nu met de 988 overduidelijk geworden: de orkestwerken vallen tegen en de concerten klinken totaal anders: veel doorzichtiger, met diepte en zonder enig rafelig randje. Maar elke opname op deze drie CD’s is anders; er zijn er geen twee gelijk. Ook dàt was niet eerder opgevallen. Toch overheerst de indruk dat de nieuwe luidspreker hetzelfde laat horen als de oude, maar veel en veel duidelijker. Volgens de fabrikant speelt hierin de veel solider bouw een hoofdrol, maar ik waag dat te betwijfelen: de afwezigheid van allerlei parasitaire resonanties zouden tot vele kleine piekjes moeten leiden, maar de ‘oude’ is juist matter dan de nieuwe en dat is daarmee in tegenspraak. Heel opmerkelijk is ook dat bij de nieuwe luidsprekers het instellen van de volumeregelaar kritischer is geworden. Nu is de volumeregelaar toch al de moeilijkste knop van elk systeem; hier wordt dat nog eens extra duidelijk.

Niet onverwacht is bevestigen de Haydn symfonieën met Hogwood (l’Oyseau Lyre) zich voortdurend als schitterende opnamen, terwijl de Vivaldi celloconcerten met dezelfde mensen me nu een beetje tegenvallen: de Haydn’s zijn veel mooier. Mooi van opname zijn ook de Michel Dalberto opnamen met Schubert, die helaas niet meer te krijgen zijn en (nog ‘helaaser’) ook niet compleet is. Bijzonder mooie opnamen die net als de andere veel meer laten horen dan op de ESL-63. En zo kan ik doorgaan. De ESL-988 laat eigenlijk alle platen en CD’s opnieuw horen: een ontdekkingsreis door je eigen collectie! Ik betoog al jaren dat de meeste stereo-opnamen die naam niet verdienen en dat oordeel wordt er alleen maar door ondersteund. Er is best goed naar te luisteren en mijn plezier wordt er niet door bedorven, maar wie meent dat de opnametechniek in de laatste 20 jaar alleen maar vooruitgegaan is, heeft duidelijk iets gemist en de nieuwe ESL laat dat duidelijk horen. Soms hardhandig.

989
De grote broer is wel een flink stuk groter. Gelukkig alleen in de hoogte, maar het is daarmee toch wel een heel opvallende luidspreker, zeker in de doorgaans zwarte uitvoering. Iets wat ik nimmer zal begrijpen: in onze lichte interieurs kiest vrijwel iedereen voor zwarte luidsprekers – géén gezicht die zwarte puisten. Bovendien lijken ze in lichtgrijs aanzienlijk kleiner. De nieuwe uitvoering in lichtgrijs met blauw/grijs doek is een enorme verbetering in dat opzicht. Helaas wordt een blikje plamuur een plamuurmes om de letters QUAD dicht te smeren niet bijgeleverd, daar is Gamma goed voor...

Globaal is de indruk die de 989 maakt gelijk aan die van de 988, zij het nog iets sterker. Ook hier weer de directe associatie met het ‘Venster op de concertzaal’ zoals Quad dat vroeger in Nederland formuleerde. Een enorm gevoel van diepte en breedte – bij de betere opnamen. Bij minder goede opnamen blijft de constatering dat het plat en kaal is, maar – en dat is een onderschat voordeel van de ESL in het algemeen – zonder direct onverteerbaar lelijk te worden; de Quads zijn vergevingsgezind. Dat hangt dan weer samen met de afwezigheid van luistermoeheid, wat ook al weer een typisch kenmerk van deze elektrostaten is. Die afwezigheid van moeheid heeft als keerzijde dat een ESL geen luidspreker is die echt een grote druk opbouwt, wat een conusluidspreker wel kan en wat velen bij een ESL missen. Met een groot orgel even je dakpannen opschudden, lukt met de grote KEF’s of B&W’s nog wel, maar de Quad ESL haalt er zijn neus voor op. Caldara’s oratorium Maria Magdalena op Harmonia Mundi (HMC 905221.22) komt er desondanks ongekend echt uit. Alle schakeringen van orkest en zang vallen op hun plaats en vorm een zelden gehoord geheel. Keer ik terug naar mijn opmerking in het begin, dat de totaalindruk doorslaggevend is, dan is kan worden vastgesteld dat hier een onthutsend realistisch totaalbeeld wordt geboden, waar je niet genoeg van kunt krijgen.

In vrijwel alle opzichten klinkt de 989 hetzelfde als de 988, alleen is het gevoel in de zaal te kijken nog iets sterker en loopt hij wat verder door in het laag. In het laag zit veel akoestische informatie, naast een enorme hoop rommel, waar opnametechnici soms wat beter op zouden moeten letten. Mede daardoor kan hij nog iets meer niveau aan. Zonder de meerwaarde van dit alles tekort te willen doen, weet ik niet of ik de meerprijs er voor over zou hebben. Ik kan het niet helemaal grijpen, maar de ‘kleine’ (je kunt ook zeggen ‘goedkope’) lijkt me eigenlijk de homogeenste en de evenwichtigste van de twee. Wellicht dat een veel grotere kamer dan mijn luisterkamer dat verandert, dat zou kunnen. Ik moet eens ernstig met het parlement hier gaan praten, want dat er iets gaat veranderen staat voor mij wel vast.

Conclusie
De nieuwe ESL’s bezitten kwaliteiten die ik eigenlijk schokkender vind dan de komst van de ESL-63 destijds. Anders gezegd, ik vind de stap van de ESL 63 naar de 988 groter dan destijds de stap van de 55 naar de 63. Hij loopt voor mijn gevoel in laag èn hoog verder en vlakker door, kan meer aan, is beter geconstrueerd en, bovenal, maakt een enorme indruk door zijn klankprecisie en ruimte-indruk. Soms vallen opnamen met een klap door de mand die er op de 63 nog wel redelijk mee door konden: de contrasten zijn groter geworden. De 988 scheidt het kaf van het koren, zonder het kaf overigens ongenietbaar te maken. De grote 989 doet daar nog een schepje bovenop, hoewel ik hem in een enkele opname iets minder evenwichtig vond dan zijn kleine broer, hoewel dat natuurlijk ook aan de opname kan liggen. Vond ik de vorige keer in mijn test van de KEF 203 en 205 luidsprekers dat deze meer verschil lieten horen in sommige gevallen dan de ESL-63, de nieuwe ESL neemt opnieuw een voorsprong en wel een hele grote. Ik ken geen andere luidspreker die zó duidelijk verschillen tussen opnamen laat horen als deze ESL-988/989. Het was een adembenemende ervaring die niet zonder gevolgen blijft en voor het eerst krijgt wat mij betreft de slogan ‘venster op de concertzaal’ werkelijk betekenis.

Beluisterd op Sony TA-FA7 versterker, 333 sacd-speler, ZA3 DAT-recorder.

ESL 988 Prijs per stuk € 3.000,--
ESL 989 Prijs per stuk € 3.950,--

(stand 2002)

 

<< Terug