quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432451
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Test Quad ESL 2805
Enthousiasme & Twijfel

 

©Armand van Ommeren

 

De meeste lezers zullen wel weten dat ik al sinds 1972 naar Quad electrostaten luister en dat mag je best een verslaving noemen. Ondanks de vele andere typen luidsprekers die hier hun kunsten hebben vertoond, heeft geen van hen me ooit aan het twijfelen gebracht. Ja, één uitzondering: de door Ruud Jansen aangepaste AR-10p heeft me lange tijd bekoord en vind ik nog steeds een uiterst subtiele topluidspreker. Ik ben de laatste om de nadelen van een electrostaat onder het tapijt te vegen, maar nog altijd vind ik de nadelen van een ‘gewone’ luidspreker aanzienlijk zwaarder wegen.



Nadelen ESL
Het belangrijkste nadeel van een ESL is niet zoals velen denken het bereik in het laag, maar de belastbaarheid. Of, zoals sommigen het formuleren, om ‘druk’ te maken. Vergeten wordt dat akoestische instrumenten dat ook niet doen, uitgezonderd wellicht het pijporgel; de meeste akoestische instrumenten vallen juist op door hun ijlheid, hun vluchtige, haast gasachtige klank. De electrostaat is eigenlijk de enige luidspreker die dat luchtige, ijle van een viooltoon kan imiteren. Wat een conus er van maakt is veel te substantieel, veel te massief. Elektronisch versterkte instrumenten die zonder uitzondering gebruik maken van conusluidsprekers hebben wel ‘druk’ en dat kan een ESL niet, hij kan geen conusluidspreker imiteren. Zouden de bespelers van elektrische gitaren en andere elektronisch versterkte instrumenten gebruik maken van electrostaten dan zou het verschil helemaal wegvallen.

De beperking van de belastbaarheid is gekoppeld aan de beperking in het laag. Voor een bepaalde luchtverplaatsing – die in het laag uiteraard het grootst is – is een zekere uitslag van het membraan nodig en die is bij een electrostaat zeer beperkt: waar een conusluidspreker soms centimeters uitslag kan maken (wat overigens ook niet zonder problemen is), kan een electrostaat nauwelijks een millimeter halen. De enige oplossing is dan ook het oppervlak te vergroten. Om de in HiFi-kringen noodzakelijk geachte 20 Hz te halen heb je dan al gauw een oppervlak van twee vierkante meter nodig… En in diezelfde kringen associeert men het aantal Herzen meer met de hoeveelheid laag dan met de toonhoogte, laat staan met de kwaliteit. Wil je het formaat van een electrostatische luidspreker een beetje hanteerbaar houden, dan moet je dus concessies doen aan het laag en de belastbaarheid. Het probleem is dat als de uitslag te groot is, het bewegende vel de vaste plaat raakt en er vonkoverslag optreedt. De luidspreker wordt daardoor niet meer vernield zoals vroeger bij de ESL 55, maar de klank stort in en dus heeft men heel verstandig de begrenzing vóór dat punt gelegd. De hamvraag is uiteraard wat muzikaal nodig of noodzakelijk is. Kom ik op terug.



Conusluidsprekers
Het enige voordeel van een conusluidspreker is de hogere belastbaarheid bij min of meer identieke afmetingen: door grotere magneten te gebruiken en dito spoelen, kan de belastbaarheid tot idiote hoogte worden opgevoerd; de ondergang van Jericho is haalbaar. Mede door die hogere belastbaarheid is met een conusluidspreker een groter bereik in het laag realiseerbaar. Dit is het enige punt waarin de conusluidspreker de meerdere is van de electrostaat; voor dergelijke volumes zou bij een electrostaat een onrealiseerbaar groot formaat noodzakelijk zijn.

Op alle andere punten is de electrostaat de meerdere. Zo bezit de electrostaat een veel gladder verlopende frequentiekarakteristiek, mede omdat hij geen kast en geen ingewikkelde wisselfilters nodig heeft. De overgangsfrequenties van een luidsprekersysteem met conusluidsprekers gooien altijd roet in het eten; reden waarom vooral Bowers & Wilkins zich beijvert die filters zo simpel mogelijk te houden en de aanpassingen te zoeken in de constructie van de eenheden zelf. Zoals ik in eerdere artikelen over de ESL 63 en de ESL 988 (ook op deze site) al uiteenzette, komt daar nog bij dat de positie van de eenheden fysiek niet hetzelfde is en de uiteindelijke klank niet van één maar van meerdere plaatsen komt, naast de faseproblemen die dat oplevert. Allemaal zaken waar een goede electrostaat geen last van heeft. Laatste punt hier is de bewegende massa van het membraan dat bij een electrostaat nog geen gram weegt en bij een conusluidspreker een veelvoud daarvan. Dit gepaard aan het feit dat een membraan van een ESL over het gehele oppervlak gelijkmatig wordt aangedreven en een conusluidspreker op één punt, geeft aan dat de electrostaat voortdurend in het voordeel is. Hoe geringer de bewegende massa in verhouding tot de aandrijfkracht en de verdeling daarvan, hoe nauwkeuriger de luidspreker zal volgen wat de versterker hem opdraagt. Wat allemaal niet wegneemt dat ook met conusluidsprekers schitterende resultaten zijn bereikt, dat zal ik zeker niet ontkennen.

Spreiding
De spreiding is eigenlijk een zwak punt van elke electrostaat, behalve van de Quad ESL vanaf de 63. De ideale geluidsbron is een puntbron en geen enkele luidspreker voldoet daar aan; alleen de constructie met de concentrische ringen van de ESL 63 benadert dat zeer behoorlijk. De later verschenen ESL 988 die ik zelf gebruik, doet dat mijns inziens nog aanzienlijk beter dan de 63. Dankzij die constructie is ook de spreiding er fors op vooruitgegaan. Vergeleken met de oude ESL 55 waar het hoog als een soort waterstraal op je af kwam, is er veel verbeterd. Als je bij de 55 je hoofd maar iets draaide, was al het hoog weg. Opmerkelijk dat de door Manfred Stein van Quad Musikwiedergabe in Koblenz opgeknapte oude ESL’s 55 daar aanzienlijk minder last van hebben (zie bespreking Sugden/Quad elders op deze site); echt een wonder! Waarschijnlijk te danken aan een veel zorgvuldiger constructie van de onderdelen van de luidspreker, vooral de membraaneenheden.

Enigszins onnatuurlijk ervaar ik de weergave van grote, vaak lange en hoge, electrostaten, zodat een viool, stem of gitaar ineens een oppervlak van een vierkante meter of de hoogte van een doelpaal krijgt (ik hou niet van voetbal!). Jaren geleden hoorde ik bij een notaris in Blaricum een speciaal voor hem geconstrueerd en zeer fraai ingebouwd luidsprekersysteem met ter weerszijden zeker een stuk of acht tweeters boven elkaar; dat gaf ook zo’n vreemd effect. Juist om die reden bouwt Bang & Olufsen in haar kolomluidsprekers steeds de tweeter centraal en geflankeerd door twee middentoners. In die zin is het vreemd dat blijkbaar geen enkele andere constructeur van electrostaten het geniale van de concentrische ringen inziet? En schande dat ook Quad zelf in de begeleidende literatuur haar oprichter en geniale bedenker van dit alles Peter Walker niet de credit voor dit idee geeft! Zijn naam wordt niet eens genóemd?!

China
Quad heeft, net als zovele Engelse fabrikanten in allerlei branches, de productie nooit echt onder controle gekregen, zoals ook valt op te maken uit het relaas van Ross Walker in het Quad boek (een must!) waarin deze zelfingenomen figuur de houding van zijn vader op dit punt hekelt. Hij stelt daar dat Peter Walker alle interesse in een product had verloren zodra het technisch ontwerp afgerond was, iets wat veel geniale ontwerpers kenmerkt. Waar Ross best gelijk in gehad zal hebben, maar wat hem niet belette er a) zelf niets aan te doen en het bij kankeren achteraf te laten en b) het met hard werken opgebouwde kapitaal er doorheen te jagen, waardoor Quad nu in Chinese handen is. En gezegd moet worden dat op een reeks punten de vooruitgang duidelijk is. Ondanks aanloopmoeilijkheden heeft men blijkbaar e.e.a. onder de knie weten te krijgen en vooral de constructie is er aanzienlijk op vooruit gegaan. Jammer blijf ik het vinden dat de productie van zovele zaken naar verre landen verhuist: deels vanwege de werkgelegenheid en, erger nog, vanwege het wegvloeien van kennis en kunde; de kenniseconomie is de grootste farce die er bestaat; of gaan we mensen die niet kunnen leren ook naar China exporteren?

Wat is er veranderd?
Het belangrijkste is de constructie van het frame en de voet. Die zijn vele malen sterker en degelijker dan voorheen, vooral vergeleken met de oude 63, ten opzichte van de 988 is het verschil veel kleiner. En de koppelstang aan de achterzijde – door Menno van der Veen (Home Studio) al in de jaren 80 toegepast – maakt het geheel veel stabieler, hoewel je je af kunt vragen in hoeverre de krachten op het membraan in staat zouden kunnen zijn de constructie in beweging te brengen? Kwaad kan het echter beslist niet.

De voet is verder aanzienlijk groter en zwaarder geworden en nu ook geschikt voor voetjes en spikes. Die laatste zijn uitstekend bij plaatsing op dik tapijt, in alle andere gevallen is het modieus en zinloos. Hetzelfde geldt voor kabel; het is wel ironisch dat juist nu ook TransTec zich in de kabelmanie stort, Quad volstaat met de opmerking dat de kabel dik genoeg moet zijn om het signaal te kunnen transporteren. Precies wat TransTec zelf voorheen altijd en terecht heeft gepropageerd!

Luisteren
Aangesloten op de Sony TA-FA7 versterker met SCD-XA333 Super-Audio CD-speler (waarvan het Super gedeelte opvalt door overbodigheid), DAT recorder en tuner en na het draaien van een grote verscheidenheid aan CD, zowel klassiek als jazz – deels eigen opnamen – valt een aantal zaken op.

In de eerste plaats doet deze luidspreker alles wat je hem voorzet met opvallend groot gemak en lijkt de belastbaarheid een stuk hoger te zijn. Ook is het ruimtebeeld duidelijker aanwezig, hoewel dat ook bij de 988 al een stuk beter was dan bij de ESL 63. Je hebt het gevoel naar een luidspreker te luisteren die niet zozeer is verbeterd als wel (veel) beter geconstrueerd.

Toch kan ik niet geloven dat dit verklaart waarom de luidspreker ook helderder klinkt; ik meen ook soms iets in het hoog te horen dat neigt naar hardheid. Het is lastig te beoordelen of dit aan de luidspreker ligt of aan de opname te wijten is, maar het gevoel is er en bleef ook gedurende de gehele testperiode. Rechtstreekse vergelijking met de 988 heb ik niet gedaan – A/B vergelijkingen leiden altijd tot verkeerde conclusies. Wel heb ik na het terugzetten van de 988 nog steeds het gevoel dat deze in het hoog – strijkers, bijvoorbeeld op Pentatone PTC 5186 029 met symfonieën van o.a. Stamitz – beter tekent en minder opgeschroefd klinkt. Vergelijking met zowel de Sony hoofdtelefoon CD 3000 – nog altijd één van de beste die ik ooit hoorde – als de 988 laat horen dat de definitie van de strijkers bij de ESL 2805 een fractie minder is. De genoemde hardheid doet denken aan het dichtlopen op die frequenties, mede omdat het iets terugnemen van het volume het verschijnsel soms lijkt te verminderen.

Tweede punt is het duidelijk verder doorlopen in het laag maar ook hier worden beperkingen geconstateerd. In de eerste plaats wordt maar weer eens duidelijk dat het merendeel van de moderne opnamen in het laag werkelijk niet verteerbaar zijn. Hoe iemand het zonder klankregeling af kan is mij een raadsel, want bij de meeste moderne cd’s (super of normaal) wordt hier in huis direct naar de basregelaar gegrepen om de walmende bassen en celli te temperen (genoemde Pentatone CD is overigens een goede uitzondering). In het laag loopt hij dus verder door dan de 988, maar de 988 is de meerdere waar het om de duidelijkheid en de tekening gaat. Positief staat daar tegenover dat de 2805 veel beter tegen orgelopnamen opgewassen is dan de voorganger, in die zin is de belastbaarheid dus duidelijk beter. Het laag loopt verder door, maar is ook duidelijker aanwezig in het gebied daarboven en dat bevalt me minder. De 988 klinkt ‘schoner’ het laag is beter getekend in sommige gevallen – niet altijd en dat maakt het beoordelen lastig. Bij het afspelen van de Symfonische Dansen van Rachmaninov (Reference Recordings RR-96) werd duidelijk dat de belastbaarheid haar grenzen heeft want met de volumeregelaar nauwelijks hoger als bij de 988 gebruikelijk, stopte de Sony acuut bij de eerste grote inzet van het orkest. De 2805 stelt kennelijk duidelijker grenzen dan zijn voorganger; het zou ook kunnen dat de klankbalans van de 2805 anders is – aangepast aan de smaak van de moderne gebruiker – en dat het extra laag niet alleen het gevolg is van een verbeterde constructie, maar wellicht meer nog van een bewust aangepaste frequentiekarakteristiek.

Klankbalans
Al luisterend met meerdere mensen die net als ik allemaal zeer onder de (eerste) indruk waren en zonder uitzondering deze luidspreker in de hoogste categorie plaatsten, waren er toch meer kanttekeningen dan ook ik in eerste aanleg had verwacht. Naarmate we langer luisterden, nam de waardering voor de 988 steeds verder toe. Zeker, luisterend naar Paul Desmond’s Take Five en wachtend op het inzetten van de bas na het intro zwolgen we allemaal in de eerste plukken van bassist Eugene Wright. Op de 988 is dat veel subtieler, maar de toon is duidelijker. Iets dergelijks hoorde ik op de verschillende opnamen van het geweldige Van den Heuvel orgel in Saint Eustache te Parijs op Dorian (Jean Guillou met Bach) en op ASV (Jane Parker-Smith met Widor). Mijn medeluisteraars – allen ervaren ‘oren’ – constateerden dat ook en wij meenden dat te moeten toeschrijven aan de klankbalans van de luidspreker.

Het heeft er dus alle schijn van dat men de klankbalans van de 2805 ten opzichte van de 988 heeft gewijzigd. Op zeer gematigd niveau spelend heeft dat onmiskenbaar een zekere aantrekkelijkheid, als een soort onbedoelde fysiologische klankregeling. Op wat luider niveau worden de nadelen hoorbaar. Een trio van Haydn of Mozart wordt ineens wollig, de zuiverheid van klank in het laag wordt troebel en in de hogere regionen treedt een soort vervlakking, een lichte hardheid op. Later dezelfde muziek terugspelend op de 988 werd ons duidelijk dat de nieuwe zeker sterke punten heeft, maar dat de 988 in de subtiele details de meerdere is. En, zeker wanneer je met klassieke muziek bezig bent, zijn die details nu juist waar het je om gaat.

Vergelijking met hoofdtelefoon
Eerder stelde ik al dat rechtstreekse vergelijkingen van twee luidsprekers een gevaarlijke bezigheid is. Zeker onervaren mensen zouden dat nooit moeten doen en al helemaal nooit in een winkel; het is dé manier om de verkeerde keus te maken. Een hoofdtelefoon die u goed kent, is iets anders. Hoewel dit ook niet helemaal zonder risico is, heeft een hoofdtelefoon als vergelijkingsmateriaal een paar evidente voordelen. Het belangrijkste is dat de akoestiek waarin een hoofdtelefoon zijn werk doet, voor de fabrikant een nauwkeurig omschreven gegeven is. Geen twee mensen zijn hetzelfde, maar de vorm en opzet van het oor hebben een dermate grote gelijkvormigheid dat gerust van eenheid mag worden gesproken. Daarbij is het vermogen dat voor een hoofdtelefoon nodig is bijzonder gering – het is, zeg maar, een op een uiterst laag pitje functionerende luidspreker – en het benodigde vermogen van de versterker is gering, net als de belasting, zodat eigenlijk van een ideale situatie gesproken kan worden. Een topklasse hoofdtelefoon – Stax, Jecklin, Sony – is daardoor wel degelijk een goede referentie bij de aanschaf van een luidspreker, vooral waar het om definitie gaat.

Resumé
De ervaringen met de ESL 2805 zijn wisselend en het oordeel is daarmee ambivalent. In eerste aanleg maakt hij meer indruk dan de voorganger, de ESL 988, en ik denk dat dit te maken heeft met het verlegging van de klankbalans waardoor hoog en laag iets bevoordeeld worden ten opzichte van het midden en dat ‘doet’ het altijd goed. Langer luisteren brengt dat aan het licht en dan ontstaat die ambivalentie. Het heeft een zekere aantrekkelijkheid, maar bevredigt (mij) op den duur niet. Zeker niet omdat het zowel in hoog als laag ten koste gaat van de nauwkeurigheid: in het laag wordt een ‘teveel’ gevoeld en in het hogere midden en hoog een lichte vervlakking, die, eenmaal herkend, wordt ervaren als een gemis.

Daarmee rijst weer de eerder gestelde vraag ‘wat is nodig’. Voor kamermuziek is een hoge belastbaarheid niet zo belangrijk, bij oratoria en een grote Mahler symfonie wel. En bij orgel, zeker als iemand als Guillou aan het ‘woord’ is. Punt daarbij is ook dat heel veel muziekliefhebbers te luid afspelen. Dan loop je bij de ESL – èlke ESL – al snel vast. Ik durf de stelling wel aan dat mensen die van het ‘grote werk’ houden en een beetje ‘gas’ willen geven, beter geen ESL kunnen kopen. Voor de wat rustiger luisteraars, wat juist bij kamermuziek (jazz valt daar doorgaans ook onder) het geval is, is een ESL vaak ideaal. Anders gezegd, de orgelliefhebber vindt in de nieuwe ESL meer dan vroeger (maar gaat nog steeds niet overstag) en kamermuziek liefhebbers zijn teleurgesteld want in de tekening van de klank zijn blijkbaar concessies gedaan. Als je niet uitkijkt, verlies je ze beide.

Dit alles gezegd hebbende, trek ik voor mezelf nog niet de conclusie dat ik dus de 988 prefereer. De 2805 heeft namelijk iets heerlijks ‘los’ en ‘gemakkelijk’ dat de 988 niet zo sterk heeft. Als ik gelijk heb dat de fabriek de frequentiekarakteristiek heeft aangepast, zou ik hen aanraden dat terug te schroeven, maar dan nòg houdt de 2805 een paar pluspunten boven de 988. Er is dus eigenlijk voor beide iets te zeggen, maar van de definitie van de 988 doe ik niet zo makkelijk afstand. Het blijft behelpen, met mensen en met luidsprekers...

Nawoord
Nu iedereen naar bed is – het is ver na twaalven – en zelfs de kat haar plekkie heeft opgezocht, draai ik nog een paar fragmenten achter elkaar: Ameling ‘An die Musik’, Pollini 4de Beethoven, de eerder genoemde Pentatone Stamitz, de Hammerklavier met François-Frédéric Guy en de Impromptus van Schubert met Uschida. Eerst op de nieuwe 2805 en dan nog een keer op de 988. Ze staan op dezelfde plaats in de kamer en de volumeregelaar is niet aangeraakt. Uit ervaring weet ik dat terugschakelen naar het vorige, net als destijds in 1981 bij de test van de ESL-63, meestal tot teleurstellingen leidt. Niet altijd blijkbaar: Elly Ameling met ‘An die Musik’ heb ik in de tweede ronde op de 988 wel drie keer opnieuw gedraaid, zó verbaasd was ik over het verschil in timbre van de stem; de 988 was hier ondubbelzinnig de betere; vanwege dat timbre. Ook de andere opnamen kwamen er goed uit en de conclusie is duidelijk: de nieuwe 2805 heeft iets heel aantrekkelijks, neigt mogelijk naar het modieuze, maar langer luisteren naar subtiele details in de muziek – en waar koop je zulke dure luidsprekers anders voor? – laat de balans, mijn balans althans, doorslaan naar de 988. Quad heeft met de 2805 een prachtige luidspreker uitgebracht, maar zou zich wat mij betreft niet van haar uitgangspunten af moeten laten brengen. Een electrostaat zal nooit een luidspreker voor de massa zijn en daar moet men zich dan ook niet richten. Ondanks de kanttekeningen is het echter een juweel van een speaker.

PS: Naar men mij vertelt, is de 988 nog steeds leverbaar en u heeft alle ruimte zelf uw oordeel te vellen. Doe dat thuis en nooit beide tegelijk, maar het ene weekeinde de een, het weekeinde daarop de ander. Commentaar van uw zijde is zeer welkom!

Importeur: New TransTec bv

 

<< Terug