quad versterker, quad luidspreker, revisie, ombouw, reparatie
Armand van Ommeren
Kerkstraat 56
4854 CG Bavel
The Netherlands
0161-432451
armand@quadrevisie.nl
KvK Breda 20064173



<< Terug
 

Twee oude getrouwen:
Sugden A21/CD21 & Quad ESL 55/2

 

©Armand van Ommeren, maart 2006

 

Voor velen zal de naam Sugden niet erg vertrouwd klinken,maar voor hen die al wat langer meelopen is het weinig minder dan een begrip. Vooral van de uiterst simpele maar zeer adequate en betaalbare meetapparaten die destijds door Audioscript werden verkocht. Ook in die tijd – jaren zeventig – bouwde Sugden al versterkers van uitstekende kwaliteit, maar veel aandacht kregen die hier niet. Alle reden om eerst eens even naar de achtergrond van Sugden te kijken.



Het merk is de familienaam van James Edward Sugden uit Cleckheaton en vandaar ook de naam J.E. Sugden. Hij studeerde aan E.M.I. Electronics in Londen en werd project ingenieur bij EMI Broadcasting. Daarna werkte hij een korte tijd bij Granada TV en richtte in 1960 zijn eigen bedrijf op dat zich specialiseerde in kleine aantallen specialistische meetapparatuur. Maar zijn passie voor hoogwaardige muziekweergave liet hem niet los en in 1967 werd een reorganisatie doorgevoerd en startte JES met de specialistische en wat controversiële HiFi apparatuur. In die tijd was Sugden de enige met puur klasse A transistorversterkers, waar bijna alle andere fabrikanten klasse B toepasten met de zo gemene en hinderlijke crossover vervorming. Een belangrijk pluspunt van die versterkers was de afwezigheid van luistermoeheid. Bovendien werd alle op kleine schaal en met de hand gemaakt. Al snel werd dit deel van de fabriek heel belangrijk en in 1972 verhuisde men naar een nieuw pand en inmiddels heeft daar ook alweer een uitbreiding plaatsgevonden.



Tony Miller, de huidige eigenaar en een typische ouderwetse Engelsman - in de beste betekenis van het woord - heeft de fabriek begin jaren tachtig overgenomen en houdt vast aan de oude uitgangspunten: goed en degelijk Engels handwerk. Geen productie in China of Indonesië, maar lekker in Engeland. Ook bouwen zijn mensen een compleet apparaat en identificeren zich daardoor met het product. Een uitgangspunt dat navolging verdient.

A21 SE versterker

De A21 heeft al een lange voorgeschiedenis want de eerste versie, de A41, ontstond in 1960 en was de eerste puur klasse A versterker die in Engeland op de markt kwam. Deze A41 had een vermogen van 2 x 20 watt. Hij werd vergezeld van de A 21 die een vermogen van 2 x 10 watt had en bepaald geen krachtpatser was. Toch had men destijds vaak voldoende aan dergelijke vermogens, denk maar aan de Sony TA 1010 en soortgenoten. De verkoopsprijs van de A21 lag toen op ca. € 80,-- wat nu overeen zou komen met pakweg € 1000,--. Dat relativeert de huizenprijzen ook wel een beetje!

In die tijd was het nog voornamelijk buizen wat de klok sloeg – Lafayette, Leak, Goodmans, Rogers, Quad, Radford, Lowther – en muziekliefhebbers konden niet echt wennen aan de typische en vermoeiende klank van de nieuwe transistorversterkers. Techneuten vonden het prachtig want de cijfers van de transistorversterkers waren aanzienlijk beter dan die van de buizenbakken, maar de betekenis ervan had men nog niet door. Op dat punt waren Quad en Sugden de grote pioniers, want die kwamen met transistorversterkers die het wèl tegen de buizen konden opnemen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Arthur Radford in een artikel in Wireless World al in 1963 een ontwerp voor een uitstekende transistorversterker had gepubliceerd, maar op de markt is het ding nooit verschenen. Samen met Jacques Cluysenaer zijn er in die tijd nog plannen gesmeed om deze versterker te bouwen en op de markt te brengen. Het is altijd bij plannen gebleven.

Warmte?

In heel veel discussies over versterkers duikt steeds weer op dat buizenversterkers warmer klinken dan transistor exemplaren en dat wordt gezien als een voordeel. Nu mag uiteraard iedereen vinden wat hij of zij wil, de stelling dat buizenversterkers warmer klinken is onzin. En zou dat zo zijn dan is dat een slechte versterker. Helaas zijn er veel slechte buizenversterkers omdat blijkbaar voor velen het gevoel dat het met buizen werkt belangrijker is dan wat er uit komt. Met als bizarre excessen de Luxman versterkers en CD-spelers met twee rood opgloeiende buisjes achter een venstertje – iets voor de Wallen?

Het is absurde onzin en het resultaat wordt er alleen maar beroerder van; ik herinner me nog goed dat het bromniveau van die twee apparaten beduidend slechter uitpakte dan bij apparaten zonder ‘rood licht’. Kortom, de kwalificatie ‘warmer’ is zeker geen aanbeveling. Ik wil nog wel een stap verder gaan: te veel versterkers hebben tegenwoordig moeite om het laag onder controle te houden, bijvoorbeeld door een niet al te goede dempingsfactor die feitelijk alleen in het laag een rol speelt. Tel daarbij op dat het merendeel van de moderne luidsprekers te veel laag produceert en evenmin erg goed onder controle is en het walmende en ronkende laag dat we overal horen is verklaard. Hoogst opmerkelijk ook dat het doorgaans erger wordt naarmate de luidsprekerkast groter is, terwijl die grootte nu juist tot beter laag zou moeten leiden? Bij de ESL 55 luidspreker kom ik daar uiteraard nog op terug.




Zuiverheid

Warmte is dus een flauwekul argument, dat eerder bij stemmen of muziekinstrumenten thuishoort maar niet bij apparatuur. In principe geldt dat een transistorversterker net zo goed kan werken als een buizenversterker, maar de te stellen eisen liggen hoger. Vooral in de pieken kan een transistorversterker het moeilijk hebben omdat deze in een heel klein gebied vastloopt. Ligt bijvoorbeeld bij 44 watt de vervorming nog op een onmeetbaar laag niveau, bij 45 watt kan dat ineens boven de 10% liggen. Anders gezegd, de reserve is minimaal. Een buizenversterker reageert heel anders: een goed voorbeeld is de Quad II buizenversterker die op 12 watt wordt gespecificeerd, maar zijn neus kortstondig helemaal niet ophaalt voor 44 watt. In de pieken is dan van een hoge vervorming niets te merken. En dat betekent inderdaad dat op zich de opgave van het piekvermogen helemaal niet onzinnig is. Kern is de zuiverheid van het signaal. Natuurlijk mag iedereen een ‘warm’ geluid aangenaam vinden, maar een versterker die een warm geluid produceert is in feite een slechte versterker, ongeacht of hij nu met buizen of met transistoren werkt.

Vreemd

Opmerkelijk is dat die warmte ook aan klasse A versterkers wordt toegeschreven, terwijl het hoorbare verschil tussen een slechte transistorversterker met crossover vervorming en een buizenversterker of een goede klasse A of AB versterker nu juist in het hoog zit. Kanttekening hierbij is dat de afwezigheid van crossover vervorming niet voorbehouden is aan klasse A versterkers alleen; goede klasse AB versterkers scoren ook hoog op dit punt, al kan de (slechte) afregeling hier nog wel roet in het eten gooien. Een klasse A versterker hoeft doorgaans niet afgeregeld te worden. Kenmerk van de klasse A versterker is dat deze altijd op volle kracht werkt, vandaar ook dat zo’n versterker altijd heet wordt.

Eigenschappen

Deze A21 SE is wel een afstammeling van de aloude A41 en A21, maar heeft buiten het klasse A systeem weinig meer met zijn stamvaders gemeen. Zoals bij alle klasse A versterkers valt op dat het vermogen beperkt is: 2 x 30 watt aan 8 ohm en 2 x 40 watt aan 4 ohm. Voor serieuze muziekbeluistering is het echter ruimschoots voldoende, voor akoestische oorlogsvoering is deze versterker absoluut ongeschikt. De ruisafstand van de lijningangen ligt bijna op –100 dB.

De versterker heeft vijf lijningangen met een gevoeligheid van 110 mV wat ik zoals u weet te gevoelig vind. Zeker bij dit soort hoogwaardige apparatuur, laat daar geen misverstand over bestaan, zou ik graag de mogelijkheid hebben minstens op één of twee ingangen de gevoeligheid te kunnen temperen tot ca. 500 mV. Zo langzamerhand zullen sommigen van u misschien denken ‘hou daar nou eens over op’, en zelf denk ik dat ook wel eens, maar kortgeleden werd ik er weer eens met de neus op gedrukt.

Ik maakte in de Antoniuskerk in Breda een opname van de Petite Messe Solennelle van Rossini met twee Neumann U67 microfoons op mijn Sony DTC-ZA5ES DAT recorder en gewoontegetrouw neem ik –12 dB als maximale modulatie. In de pieken schiet ik er dan nog wel eens overheen en dankzij het piekgeheugen van de recorder weet ik dat de maximale piek in deze opname op –7,5 dB ligt. En dat hoor je direct bij het afspelen: ook in de climaxen van de muziek blijft het geluid vrij en schoon. Draai je dan thuis een fabrieks-CD dan hoor je bij heel veel opnamen de boel aan de lopende band vastlopen. Gezegd moet worden dat dit verschijnsel op lp veel minder vaak voorkomt omdat de maximale modulatie veel beter en zorgvuldiger werd bewaakt in die tijd. Het verschil in kwaliteit dat velen menen te constateren tussen vinyl en digitaal is in veel gevallen daarop terug te voeren.

Uiteraard ontbreken op versterkers als deze de klankregeling en de monotoets; gelukkig doet men ook niet aan dubbele luidsprekeruitgangen. Verder kan één ingang worden gebruikt voor MM en MC pick-up elementen met een losse (extra) voorversterker en separate voeding. Er zijn ook twee uitgangen van de voorversterker: één voor tape opname en één voor een losse eindversterker. Deze laatste uitgang wordt geregeld door de volumeregelaar. De volumeregelaar zelf is een eersteklas ALPS potmeter met motoraandrijving voor afstandsbediening. De afstandsbediening is simpel en praktisch en bestuurt ook de CD-speler.

CD21 CD-speler

Zoals veel kleinere fabrikanten maakt ook Sugden voor haar CD-speler gebruik van een gemodificeerd Philips loopwerk – made in China. Gezegd moet overigens dat het laatje een stuk soepeler loopt dan een tijd terug bij Philips het geval was. Misschien heeft Sugden dat ook gemodificeerd? Wat verder opvalt na opening van de kast is dat de speler, net als de versterker, mooi en technisch verstandig is opgebouwd met goed materiaal en, dat is uniek, met gewone schroefjes. Voorzien van een afstandsbediening en een coax digitale uitgang. Beide apparaten missen een hoofdtelefoonuitgang. De bediening is uitermate simpel met een paar toetsen en leidt de zaken niet af van waar het werkelijk om gaat: de muziek.




De converter is een hybride: het is een 1-bitter voor zwakke signalen en een 18-bitter voor sterke signalen. De uitgang van de speler is, hoe kan het anders, een klasse A uitgang. Het geheel werkt volgens de Rode Boek standaard en het is eigenlijk wel leuk dat Sugden dat vermeldt want dat Rode Boek is inmiddels door heel wat fabrikanten van zowel spelers als schijfjes losgelaten. Met alle kwalijke gevolgen van dien: niet afspeelbare cd’s en andere ellende. Helaas gaat het bij dvd precies dezelfde kant op.

Quad ESL 55 luidspreker Ja ik kan het niet laten. Deze oude trouwe luidspreker heet niet ESL 57 maar ESL 55. Quad hanteerde in die tijd altijd het jaartal waarin het ontwerp werd gemaakt, net als bij de ESL 63 die pas in 1981 op de markt kwam maar al in 1963 werd ontwikkeld. Op 21 mei 1955 werd de eerste full range elektrostatische luidspreker voor een select gezelschap van audiorecensenten gedemonstreerd en bedenk dat toen alles nog mono was. Stereo was wel in aantocht, maar iedereen die audio kocht deed dat in mono. Wel leuk want ook ik ben met de ESL in mono begonnen. De ESL 55 kwam in 1972 bij ons in huis; eerst één als vervanging van twee Chorales van Kef – financiële redenen – maar de tweede kwam al eerder dan bedoeld… zo gaat dat! Ik heb er vele jaren naar geluisterd en heb ze ook intensief gebruikt bij allerlei opnamen van lp’s en cd’s. Het was daarom een ontmoeting met een oude bekende toen deze opgeknapte exemplaren hier hun kunsten kwamen vertonen.

Quad Made in Germany

Deze luidsprekers zijn in Koblenz opgeknapt door Manfred Stein en zijn mensen, die werken onder de naam Quad. Zij hebben van de fabriek in Huntingdon de belangrijke inventaris overgenomen en fabriceren de oorspronkelijke eenheden van de luidsprekers opnieuw en volgens dezelfde methode, alleen doen zij het een stuk zorgvuldiger en hebben ze verfijningen aangebracht waardoor het resultaat aanzienlijk solider is. Iedereen die de oude Quads wel eens in huis heeft gehad weet hoe gammel het allemaal in elkaar zat en sinds de verschijning van het geweldige Quad boek weten we dat Peter Walker, de bedenker van de Quad producten, alle interesse in een product had verloren zodra het ontwerp klaar was. Iets wat voor geniale mensen volstrekt normaal is.

Quad GmbH fabriceert alles wat nodig is om oude Quads op te knappen, zowel de ESL 55 als de 63. Ze zijn niet goedkoop, maar het resultaat is indrukwekkend, dat kan ik u uit ervaring vertellen. Ze leveren de luidsprekers in elke gewenste kleur en hebben nieuwe banden aangeknoopt met de oorspronkelijke leverancier in Engeland van de grills. Dat zijn toch wel leuke dingen. Wat dan ook direct opvalt is dat (Manfred Stein) Quad Musikwiedergabe GmbH op een zeer serieuze manier het ontwerp uit 1955 onder handen heeft genomen. Men doet dat met respect voor het origineel, maar voegt daar haar eigen gedegen vakmanschap aan toe. Met groot resultaat. De elektronica is verbeterd, de materialen zijn beter, de verwerking is beter en toch maakt het geheel de indruk dat er niets is veranderd. Tot je gaat..

Luisteren

Het heeft wel iets van thuiskomen, moet ik toegeven. Na vele jaren met een paar stel ESL 55’s geleefd te hebben (één stel thuis en één stel voor opnamen buitenshuis) en sinds 1981 thuis met de ESL 63 geleefd te hebben, heeft de hernieuwde kennismaking met de stamvader toch wel iets van thuiskomen. Ik heb eigenlijk weer dezelfde ervaring die ik had toen ik de ESL 63 in huis kreeg, er een paar weken naar luisterde en toen de ESL 55 weer hoorde. Het gevoel was dat hoezeer de 63 ook de meerdere was van de 55, er toch ook iets was dat de 55 wel en 63 niet had. Mensen die spectaculaire effecten zoeken moeten al helemaal niet aan dit soort luidsprekers beginnen; het probleem van elektrostaten is en blijft de belastbaarheid. Tenzij men ze onwijs groot maakt – maar wie heeft daar ruimte (en geld!) voor – is de belastbaarheid beperkt. Eén van de redenen waarom orgel er zelden echt overtuigend uitkomt. Kamermuziek en stemmen is het gebied waar ze in schitteren.

En dat is ook wel wat je hoort: aangestuurd door zowel de Sugden A21/CD21 combinatie als mijn eigen Sony set is het duidelijk dat een cellosonate beter tot haar recht komt dan een grote symfonie van Mahler of Sjostakovitsj of een massale opera van meneer Verdi. Of een groot orgel als het Van den Heuvel orgel van de Saint Eustache in Parijs. Dat wil zeggen wanneer je het op een beetje redelijk niveau wilt afspelen, want zolang je de belastbaarheid niet overschrijdt, klinkt alles uitstekend.

Terwijl ik dit schrijf spelen Emanuel Ax en Yo-Yo Ma de derde cellosonate van Van Beethoven (CBS MK 39024) en dat klinkt zeer levensecht, zonder enig randje of wat voor bijeffect dan ook. En dan kom ik weer terug op het laag waar ik het al eerder over had. Je kunt er lang of kort over praten, maar het is natuurlijk waar dat een ESL van deze afmetingen geen lage orgeltonen van 16 Hz kan laten horen. We laten dan maar even buiten beschouwing dat er ook geen opname bestaat waarop dat goed geregistreerd is – waarom denken audiomensen toch altijd dat opnamen perfect zijn en dat alle gebreken in de weergave zitten? Niets is minder waar!

Juist bij zo’n cellosonate of een goede piano-opname realiseer je je – als je de klank in werkelijkheid kent – dat je misschien wat minder laag hoort dan je zou willen, maar dat wát je hoort goed is. Weg is die ronkende, walmende, zoevende, zwemmende en op den duur zeer irritante dreun die men tegenwoordig laag noemt maar nergens op lijkt. Dat doet die oude ESL dankzij Manfred en zijn mensen voortreffelijk. Het onderscheid tussen een cello en een contrabas is op heel veel luidsprekers van tegenwoordig gewoon niet meer hoorbaar; wat je hoort is één vette walm waarin beide ondergaan. Goed laag lijkt synoniem te zijn met veel laag. Niets is minder waar. Het vervelende is alleen dat in de moderne opnamen al te vaak hetzelfde probleem optreedt en dan kun je als muziekliefhebber geen onderscheid meer maken en ben je overgeleverd aan toevalligheden.

Bundeling

Een ander belangrijk punt in het verleden was de bundeling in het hoog. Als je je hoofd een beetje draaide viel het hoog weg; het bundelde als een waterstraal. Thuis was dat niet altijd even prettig, zeker niet wanneer je met meerdere mensen luisterde. Op locatie bij opnamen was dat juist wél prettig, want hoe minder spreiding een luidspreker in midden en hoog heeft, hoe minder de ruimte waar je zit meespeelt. Door een brede spreiding krijg je van alle kanten reflecties en dat beïnvloedt de klank sterk. En wanneer je op locatie aan het opnemen bent wil je zo min mogelijk worden beïnvloed door de akoestiek van de afluisterruimte waar je toevallig zit, want die ken je vaak niet goed genoeg. In dat opzicht was de ESL 55 een prettig instrument. De door Quad Musikwiedergabe opgeknapte ESL heeft gek genoeg een aanzienlijk betere spreiding dan het origineel, hoe het komt weet ik niet, maar in de huiskamer is het een forse verbetering.

Kamermuziek en jazz dus

Mozart (Kantorov/Planès – Denon) en Beethoven (Perlman/Ashkenazy – Decca) vioolsonates (en in beide gevallen natuurlijk ook (Grumiaux/Haskil – Philips), trio’s van Beethoven, Mozart, Schubert en Haydn met het Beaux Arts Trio (Philips), strijkkwartetten van dezelfde componisten met Alban Berg (EMI), Amadeus Kwartet (DG), Juliard Kwartet (CBS/Sony), pianowerken, sonates, etudes, mazurkas, liederen van Schubert, Schumann, Wolf, dát is het gebied waar deze luidspreker zich thuis voelt. En dat draai je dan op een niveau dat goed bevalt. Groot werk met zware en complexe fortissimi kunnen ook wel, maar dan hou je het gevoel dat het wel iets luider mag dan de luidsprekers prettig vinden. Ik had het over zang en dan denk ik ook nadrukkelijk aan werken als Maddalena ai Piedi di Cristo (Maria Magdalena aan de Voeten van Christus) van Antonio Caldara (Harmonia Mundi 905221.22) een fenomenale opname van een schitterend stuk muziek. (HM heeft heel wat schitterende opnamen in haar catalogus!) Deze opname komt op deze ESL schitterend tot haar recht (op de nieuwste ook) en laat vooral horen waar deze in uitblinkt.

En niet te vergeten de schitterende jazzopnamen – The Oxnard Sessions! – op Reference Recordings; weergaloos! Ook jazz is een gebied waar deze luidspreker in kan schitteren: eigenlijk alles waar het om subtiele dingen gaat: stemmen, instrumenten, klankkleuren. Spectaculaire zaken moet u hier niet zoeken. Oh ja: heel spectaculair vinden velen groot slagwerk. Voor een luidspreker is dat gewoonlijk kinderspel en dat kan deze luidspreker dus ook. Elke demonstratie van luidsprekers met slagwerk is onzin. Dat kan de slechtste ook.

Combinatie met Sugden

De Sugden versterker doet het wonderwel met deze Quad luidspreker. Ook de Sugden moet het van de nuance hebben en dat begint al bij de uitgangspunten van de ontwerper, net als bij Peter Walker van Quad. Met deze versterker/CD-speler levert de Quad ESL 55 een uiterst strak laag met een opmerkelijke scheiding van instrumenten. In het midden is de elektrostaat als altijd niet te evenaren en in het hoog heeft hij nog iets van zijn aloude piekerigheid, hij heeft daar zeker wel een eigen karakter. Dat hoor je vooral wanneer je direct vergelijkt met de ESL 988, die is rustiger. Evident is dat de oude ESL in deze versie van Manfred Stein beter klinkt dan ooit tevoren en ik kan me heel goed voorstellen dat velen hem zullen prefereren boven de nieuwe! En de combinatie met de Sugden haalt er absoluut het beste uit.

Een combinatie die ik node laat gaan! Kostbaar misschien, maar elke cent waard!

Met dank aan Ferd Warnaars, Den Haag, die de apparatuur voor recensie beschikbaar stelde.

Prijzen:

Sugden A21 SE versterker: € 3.000
Sugden pu-voorversterker + voeding: € 650
Sugden CD21 SE CD-speler: € 2.200
Quad ESL 55: € 4.450,-- (per paar)
Vertegenwoordiger voor Sugden in Nederland:
Heijmans Sound & Vision, Blaricum (tel. 035 5247075)

Quad ESL 55:
Quad-Musikwiedergabe GmbH
Brunnenstrasse 57, 56751 Gering, Germany
tel. + 49 (0) 2654 987977
e-mail: quad.ger@t-online.de
www.quad-musik.de

 

<< Terug